Persoonlijkheid

Evolutionair gezien

Persoonlijkheid als adaptatie voor leefcondities

Natuurlijke selectie is de onderliggende kracht die ervoor zorgt dat inidividuen van elkaar verschillen. Het diversificeren van je nageslacht zorgt voor betere overlevingskansen van je genen en dus is dit evolutionair gezien preferabel. Evolutionair is dit goed te verklaren. Tegelijkertijd kan de omgeving veranderen en moet persoonlijkheid tot op zekere hoogte dynamisch en adaptief zijn, om beter te passen in de leefomgeving die (wellicht nieuwe) bepaalde eisen stelt.

Er is één eigenschap die juist geassocieerd wordt met verandering in plaats van stabiliteit: differential susceptibility to environmental influence. Jay Belsky stelde dat kinderen met angstige karaktertrekken gevoeliger zijn voor de effecten van ouderschapsstijlen dan andere kinderen. Een positieve stijl geeft positieve resultaten en andersom. Bij andere kinderen is dit veel stabieler. Ellis en Boyce noemden deze kinderen orchid children, naar orchideeën die prachtig kunnen bloeien bij de juiste zorg, maar snel verwelken wanneer de omgeving niet goed genoeg is. De andere kant is dandelion children, die zich kunnen redden in praktisch iedere omgeving.

Er is aanvullend onderzoek gedaan bij 5-6 jaar oude kinderen, die hoge of lage neurobiologische stress lieten zien (hoogsensitief en laagsensitieve kinderen) op basis van RSA (Respiratory Sinus Arrythmia). Hoogsensitieve kinderen waren slechter in hun aanpassingsgedrag dan laagsensitieve kinderen.

In het kort:

  • Hoge neurobiologische stress > orchid children > hoogsensitief > slechte adaptatie aan omgeving
  • Lage neurobiologische stress > dandelion children > laagsensitief > goede adaptatie aan omgeving

Dit kan zich zelfs uiten in het aantal respiratoire ziekten dat kinderen hebben (door invloed van stress).

Contrast tussen broers en zussen (sibling contrast)

Kinderen die korter na elkaar geboren zijn en van hetzelfde geslacht zijn, hebben de neiging het contrast tussen hen te vergroten. Dit heeft als voordeel dat ze hun eigen kwaliteiten extra benadrukken en dat er minder competitie is tussen de kinderen. Ook kunnen de ouders op die manier gemakkelijker omgaan met lovende woorden op basis van bepaalde vaardigheden of eigenschappen van een kind, omdat hiermee niet direct het andere kind wordt afgevallen. Een andere vorm hiervan is split-parent identification, waarbij het ene kind meer naar de moeder trekt en het andere kind meer naar de vader. Dit is een veel voorkomend en goed gedocumenteerd fenomeen. Hoe verder de kinderen uit elkaar geboren zijn (en de natuurlijke verschillen al groot genoeg zijn), hoe kleiner dit effect wordt.

Genderspecifieke karaktereigenschappen

Er zijn relatief consistente verschillen in karaktereigenschappen gemeten tussen mannen en vrouwen. Vrouwen scoren gemiddeld genomen hoger in agreeableness. Vrouwen scoren ook iets hoger in neuroticism en conscientiousness. De andere twee karaktertrekken (openness en extraversion) vertonen dit soort patronen niet, behalve dat vrouwen hoger scoren op het facet "warmth and gregariousness" van extraversie, maar lager op het "excitement-seeking" facet dezelfde karaktereigenschap. Tevens scoren vrouwen hoger op het facet "feelings and aesthetics" van de karaktereigenschap openness, maar niet op de andere facetten hiervan.

Consistent met het evolutionaire perspectief, zijn mannen eerder geneigd om agressief te reageren op situaties dan vrouwen. Vrouwen lossen conflicten eerder op door sterkere sociale banden aan te halen. Ook dit verschil is (zoals bij alle karaktertrekken) uitgedrukt in een bepaalde mate en niet als absoluut gegeven, en er is flinke overlap tussen de twee genders in de manier waarop ze situaties aanpakken. Hormonen maken een belangrijk deel uit van deze verschillen. Oxytocin heeft hogere spiegels bij vrouwen en is gerelateerd aan verbondenheid, testosteron heeft hogere spiegels bij mannen en is gerelateerd aan agressie.

Een andere invloedrijke factor is de cultuur. Assertiviteit is bijvoorbeeld afhankelijk van de cultuur. Ten tijde van de Great Depression in de VS en WWII, lieten persoonlijkheidstests relatief kleine verschillen zien met betrekking tot assertiviteit. Na de oorlog werd dit verschil echter weer groter, omdat men terugkeerde naar hun cultureel bepaalde rol. Vanaf 1960 begonnen vrouwen meer in het werkveld van mannen te komen en er zijn studies die aangeven dat het verschil in assertiviteit sinds het einde van de vorige eeuw verwaarloosbaar is.

Contrasterend met de verwachtingen, zijn de verschillen in persoonlijkheid in ontwikkelde landen groter dan in onderontwikkelde, traditionele culturen. David Schmitt, de oorspronkelijke onderzoeker, stelt dat dit komt doordat men in rijke landen de mogelijkheid heeft om in het dagelijks leven dichter bij hun aangeboren persoonlijkheid te blijven. Dit is echter speculatie en niet goed onderzocht.



Reacties

Er zijn nog geen reacties.
 Meld je aan met LinkedIn om te reageren