Sociale psychologie

Sociale ontwikkeling

Baby's: verzorgers gebruiken als basis voor groei

Psychoanalytisch psycholoog Erik Erikson ontwikkelde in 1963 (of ongeveer halverwege de 20e eeuw) een uitgebreide theorie over sociale ontwikkeling. Erikson's theorie stelt dat elk stadium in het leven geassocieerd wordt met een eigen crisis (of probleem) dat opgelost moet worden door interactie met andere mensen. Daarnaast beïnvloedt de manier waarop deze crisis aangepakt wordt, hoe het volgende stadium van het leven wordt aangepakt.

  • Volgens Erik Erikson is, in het baby-stadium, de primaire crisis die van vertrouwen. Een vertrouwd gevoel waarbij je erop kunt rekenen dat anderen je kunnen helpen of verzorgen.
  • Volgens John Bowlby gaat het meer om het evolutionaire verhaal: hij beweerde dat er een wederzijds instinctief gevoel is bij baby en moeder, om een emotionele band op te bouwen.

Baby's zijn volledig afhankelijk van hun verzorgers om te kunnen overleven, maar in lijn met de zienswijze van Bowlby, zijn ze niet passief afhankelijk:

  • Ze komen biologisch voorbereid op de wereld om te leren wie de verzorgers zijn en hoe ze aandacht en hulp kunnen krijgen
  • Vanaf de geboorte hebben ze een voorkeur voor de stem van hun eigen moeder en kort daarna hebben ze ook een voorkeur op basis van de geur van hun moeder
  • Als ze 3 maanden oud zijn, kunnen ze gezichtsuitdrukkingen van blijheid, verdriet en boosheid vertonen en ook reageren op de gezichtsuitdrukkingen van anderen

Dit zijn stuk voor stuk factoren waarin de baby zelf een actieve rol speelt in het opbouwen van een emotionele band. Rond 1950 begon Bowlby de term attachment (gehechtheid) te gebruiken.

Gehechtheid aan verzorgers

Rond dezelfde tijd begon Harry Harlow een systematisch programma op te stellen over gehechtheid bij rhesusaapjes. Hierbij was er een surrogaatmoeder van metaaldraad die melk gaf en een zachte, stoffen surrogaatmoeder die wel/geen melk gaf. Hoewel de aapjes bijvoorbeeld gingen voeden bij de metalen surrogaatmoeder, gingen ze hoe dan ook daarna terug naar de zachte surrogaatmoeder, wat aangeeft dat het comfort van die surrogaatmoeder belangrijker was. Ook in het geval van angst gingen ze direct naar de stoffen surrogaatmoeder en er was daarbij geen verschil tussen of ze waren gevoed door de metalen variant of de stoffen variant.

De vorm en functie van gehechtheid bij menselijke baby's

Observaties van Bowlby bij kinderen van 8 maanden tot 3 jaar leverden vergelijkbare resultaten op met die van Harlow en de rhesusaapjes. Als de moeder wegging, raakten de aapjes in de stress. Als de moeder terugkwam waren ze blij. Als er een vreemde bij kwam, raakten ze gestresst, tenzij gerustgesteld door de moeder.

Evolutionair is dit te verklaren doordat kinderen die eropuit gingen zonder toeziend oog van de moeder, het minder vaak overleefden. Daarom werden alleen de genen doorgegeven van de kinderen die zich gedragen conform de hierboven beschreven regels. Inmiddels zijn er meerdere onderzoeken die dit onderstrepen.

De gehechtheid neemt toe bij kinderen van 6 tot 8 maanden, omdat dit het moment is waarop ze zelf mobiel worden (kruipen, lopen). Zoals in het vorige hoofdstuk beschreven gebruiken ze o.a. gezichtsuitdrukkingen van de moeder om te bepalen of het gedrag dat ze vertonen gevaarlijk is of niet (social referencing).

De vreemde-situatie meting van kwaliteit van gehechtheid

Om systematisch gehechtheid te kunnen testen, heeft Mary Ainsworth (die oorspronkelijk met Bowlby werkte) de vreemde-situatie test (strange-situation test) ontwikkeld.

  • Hierin werden kind (tussen 12-18 maanden oud) en moeder in een ruimte geplaatst
  • De moeder toont het kind wat speelgoed en laat het vrij spelen
  • Er komt na 3 minuten een onbekende volwassene binnen die met de moeder praat en interactie heeft met het kind
  • De moeder vertekt na 3 minuten uit de kamer zodat alleen de onbekende bij het kind is
  • Uiteindelijk komt de moeder terug

Op basis hiervan zijn vier (in eerste instantie drie) classificaties van gehechtheid bepaald:

  1. Secure attachment
    • 60%
    • De kinderen ontdekken actief wanneer de moeder erbij is, raken overstuur als ze weggaat, gaat naar de moeder als ze terugkomt. In sommige gevallen durft het kind na troost van de moeder met de vreemde te spelen.
  2. Insecure-resistant
    • 10%
    • Zijn angstig en gestresst zelfs als de moeder erbij is, raken overstuur als ze weggaat, worden boos of geïrriteerd als de moeder terugkomt. Blijft bij de moeder, maar staat negatief tegenover contact met de moeder. Deze kinderen zijn in alle gevallen wantrouwend tegenover de vreemde.
  3. Insecure-avoidant
    • 15%
    • Zijn niet angstig als de moeder weggaat, raken niet overstuur als de moeder weggaat en vertonen ook geen bijzonderheden als de moeder terugkomt. Ze wantrouwen de vreemdeling niet per se, maar vermijden deze simpelweg.
  4. Disorganized/disoriented
    • 15%
    • Geen coherente, consistente strategie voor omgang met stress. Wisselen in hun aanpak tussen de andere drie klassen.

Gevoelige zorg correleert met secure attachment en positieve aanpassingen later in het leven

  • Er is een positieve correlatie tussen gevoelige zorg en secure attachment
  • Deze correlatie werkt ook door in het latere leven, want ze zijn gemiddeld genomen zekerder van zichzelf, betere probleemoplossers, emotioneel gezonder en sociaal vaardiger.
  • Onderzoekers noemden dit ook wel "multivitamine" die problemen voorkomt en gezonde ontwikkeling bevordert.
  • Er zijn zelfs onderzoeken die vaststellen dat deze positieve effecten tot 32 jaar effect blijven houden in de vorm van effectieve romantische relaties en academische prestaties.

Het is bewezen dat ook bij "lastige" baby's, de gevoelige zorg vruchten afwerpt. In een studie waar moeders en kind in een trainingsprogramma van 3 maanden kwamen om adequaat te reageren op de signalen van de baby, werd het percentage secure attachment 66% in plaats van de 22% in de controlegroep.

Sommige kinderen zijn vatbaarder voor ouderlijke invloed dan andere kinderen

Verschillende onderzoeken hebben uitgewezen dat de relatie tussen ouderlijke liefde (gevoelige zorg) en de gehechtheid van het kind uit, op z'n minst deels afhankelijk is van de genetische basis van het kind. Er is echter één gen dat de grootste invloed heeft:

  • 5-HTTLLPR gen
    • Short (s) of long (l) vormig, waarbij short (s) het dominante allel is
    • In het geval van homozygoot voor long (dus ll, tweemaal recessief), dan vertonen de kinderen sowieso hoge secure attachment ongeacht de sensitiviteit van de moeder.
    • Daarnaast hebben ze lagere kans om depressief of zeer angstig te worden
    • Het long allel zorgt voor grotere opname van seretonine in hersenneuronen dan het short allel

Cross-culturele verschillen in zorg voor baby's

  • In de !Kung San cultuur (hunter-gatherer), die in de Kalahariwoestijn wonen in Afrika, hebben moeders de baby's altijd bij zich in een draagdoek. De baby is zijn overal bij en als de moeder het kind even niet vast heeft, neemt iemand anders uit de groep het over en spelen en knuffelen zij met de baby. De !Kung laten een baby nooit huilen en zijn het zelfs vaak al voor.
  • De Efe (hunter-gatherer) hebben een ander systeem, waarbij de moeder ongeveer de helft van de dag voor de baby zorgt. Borstvoeding komt van de eigen moeder, maar ook andere lacterende vrouwen, maar rond 8 tot 12 maanden (als de attachment groter wordt), ontwikkelen ze een sterke voorkeur voor hun eigen moeder.

De warme wijze waarop deze twee groepen de baby opvoeden zorgt niet voor grotere afhankelijkheid of problemen bij het omgaan met de uitdagingen van het leven, de !Kung kinderen van 4 jaar en ouder zijn veel ontdekkender en zochten hun moeders minder op dan hun Britse leeftijdgenoten, zo bleek uit een cross-culturele test.

In geen enkele cultuur die onderzocht is, is de vader even betrokken geweest als de moeder, maar in het algemeen is de betrokkenheid van vaders in hunter-gatherer culturen groter dan in agriculturele of geïndustrialiseerde culturen. De hoogste score is die van de Aka, een andere hunter-gatherer cultuur die gerelateerd is aan de Efe, waarbij de vader het kind ongeveer 20% van de dag vasthoudt en iedereen in hetzelfde bed slaapt.

Helpen, geruststellen en leren van anderen als kind

Erikson heeft voor kinderen in de leeftijd van 1 tot 12 jaar oud een onderverdeling in achtereenvolgende stadia gemaakt:

  • Autonomy (self-control)
  • Initiative (willingness)
  • Industry (competence in completing tasks)

Wat deze stadia met elkaar gemeen hebben, is het feit dat het kind zelf controle heeft over zijn of haar acties. Een psychologisch gezond kind, is in de ogen van Eriksoon een kind dat gepast kan reageren op de behoeften van anderen zonder het gevoel van zelfcontrole op te geven. Dit wordt ook wel prosocial behavior genoemd, vrijwillig gedrag om een ander te helpen.

Empathie en geruststellen

  • Pasgeboren baby's huilen reflexmatig als een andere baby huilt
  • Martin Hoffman stelde dat deze neiging een eerste vorm van empathie is
  • Deze respons wordt langzaam minder reflexmatig: bij 6 maanden zal een baby naar de huilende baby kijken en een verdrietig gezicht opzetten
  • Vanaf 15 maanden beginnen kinderen om een ander gerust te stellen
    • Vanaf ongeveer 2 jaar begint dit ook te lukken.

Voorbeeld van Hoffman: een kind (David) probeerde een ander kind te troosten door hem zijn teddybeer te geven. Toen dit niet werkte, rende hij naar de andere kamer om de teddybeer van het andere kind te halen en gaf het aan hem. Dit toont een dieper begrip van het ongemak van een ander, waardoor het mogelijk wordt om effectief te troosten.

De natuurlijke neiging om anderen te helpen

  • Kinderen van 12-18 maanden geven spontaan een stuk speelgoed aan een volwassene in een soort "give-and-take" spel.
    • Dit gebeurt evenveel met bekend speelgoed als onbekend speelgoed
    • Ook bij de !Kung is soortgelijk gedrag vastgesteld
  • Kinderen helpen graag mee. Tussen 18-30 maanden zijn kinderen vaak druk bezig met helpen in het huishouden en andere behulpzaamheid richting de verzorgers.
  • Hoewel dit soort gedrag waarschijnlijk egocentrisch is, is het wel een teken dat kinderen een prosociale natuur hebben.

Delen

  • Jonge kinderen zijn niet erg goed in delen, in een onderzoek bij 21-maanden oude kinderen, waren 84% van alle akkefietjes het resultaat van het (moeten) delen van speelgoed
  • Hoe ouder het kind, hoe beter het kan delen
  • Jonge kinderen zijn wel goed in delen wanneer ze hebben moeten samenwerken om het resultaat te verkrijgen

Overimitation

  • Kinderen van 2 jaar of jongen emuleren veel. Ze snappen het doel maar volgen niet per se de stappen die een ander volgt.
  • Vanaf een jaar of 3 verandert dit en vindt overimitatie plaats. Hierbij neemt het kind alle handeling volledig over, zelfs al hebben onderdelen ervan geen toegevoegde waarde.
    • Ze kunnen vaak wel vertellen welke acties zinvol zijn en welke niet, maar toch voeren ze ze uit, zelfs als ze gevraagd wordt om het niet te doen
    • Chimpansees emuleren wel, maar overimiteren niet
  • Ook oudere kinderen overimiteren en zelfs volwassenen doen dit, waarbij zelfs een toename van overimitatie plaatsvindt naarmate men ouder wordt
  • Kinderen zien volwassenen als intentional agents en gaan er vanuit dat iedere handeling een doel heeft, maar wanneer er cues worden afgegeven als "oeps", dan snappen ze dat een bepaalde actie geen onderdeel is van de handeling

Leren van andere kinderen

Kinderen zijn goed in staat om elkaar iets te leren, maar meestal gebeurt dit niet expliciet. In de meeste gevallen ziet een kind dat een ander kind iets doet en een bepaald resultaat krijgt, dus neemt deze het gedrag over. Het duurt vaak niet lang voordat er modificaties plaatsvinden op de handelingen, die vervolgens weer door andere kinderen overgenomen worden. Kinderen kopiëren dus het gedrag, maar maken het zich met enige regelmaat wel eigen.

Opvoedingsstijlen (parenting styles)

De wijze waarop ouders met hun kinderen omgaan heet een parenting style. Deze worden uitgedrukt in twee dimensies:

  • Warmth (de hoeveelheid warmte die getoond wordt aan het kind)
  • Control (de hoeveelheid controle een ouder over een kind probeert te hebben)

Dit zorgt voor vier verschillende globale opvoedingsstijlen:

  High warmth Low warmth
High control Authoritative Auhoritarian
Low control Permissive Uninvolved

 

Er is uitgebreid onderzoek naar gedaan (met name door Diana Baumrind) en dit waren de conclusies:

  • Authoritarian (low warmth, high control)
    • Zeer strenge ouders, regels zijn regels en hoge power assertion over hun kinderen
    • Kinderen presteren slecht op school, laag zelfvertrouwen, sneller afgekeurd door hun leeftijdgenoten
  • Authoritative (high warmth, high control)
    • Niet streng om het streng zijn, maar omdat kinderen het verschil tussen goed en fout moeten leren
    • Kinderen vertonen de meest positieve effecten: vriendelijker, gelukkiger, meewerkender etc.
  • Permissive
    • Zeer tolerant naar kinderen (high warmth, low control)
    • Kinderen zijn impulsief en agressief, gedragen zich "out of control"
  • Uninvolved
    • Niet betrokken bij de kinderen, emotioneel koud (low warmth, low control)
    • Kinderen laten meestal antisociaal gedrag zien, met seksuele promiscuiteit, drugsgebruik, depressie en sociale onttrekking

Problemen bij het maken van conclusies

Het lastige is dat dit correlationele onderzoeken zijn. Het is tweerichtingsverkeer: een bepaald soort kind kan een bepaalde opvoedstijl uitlokken bij de ouders. Daardoor kun je niet direct van een oorzaak-gevolg relatie spreken. Het beste bewijs dat we hebben als ondersteuning voor opvoedstijl als leidende factor, is dat moeders die trainingen hebben gevolgd in het "authoritative" opvoeden na een aantal jaar wel degelijk gelukkigere, vriendelijkere en minder delinquente kinderen bleken te hebben ten opzichte van de controlegroep.

De rol van spelen en gender in de ontwikkeling

In alle culturen neemt het speelgedrag van kinderen soortgelijke vormen aan.

  • In elke cultuur hebben kinderen de neiging om te spelen met kinderen van hun eigen geslacht
  • Bij het spelen leren ze genderspecifieke vaardigheden en culturele houding (als in: attitude)
  • Kinderen spelen door te vluchten, achtervolgen, stoeien, stalken en verzorgen

Spelen als middel om vaardigheden te ontwikkelen

Spelen is in het algemeen een middel om vaardigheden te ontwikkelen. Zo is het achtervolgen en vluchten goed voor de ontwikkeling van de fysieke conditie en voor het bedenken van strategieën om niet gepakt te worden. Verzorgen en stoeien zijn ook universeel, waar verzorgen meer door meisjes wordt gedaan en stoeien meer door jongens. In culturen waar kinderen direct aanschouwen hoe volwassenen voorzien in levensonderhoud, is dit ook een soort spel waar kinderen zich op richten. In hunter-gatherer culturen jagen jongens bijvoorbeeld op vlinders met pijl en boog, en ontwikkelen zo hun vaardigheden.

Uit onderzoek in Mexico blijkt dat als kinderen (3-8 jaar) veel gevechten om zich heen zien, ze dit ook drie keer zoveel oefenen tijdens het spelen en ook twee keer zo snel echt vechten ten opzichte van een cultuur waarin vechten niet (zo veel) voorkomt.

Spelen als middel om (sociale) regels en zelfbeheersing te leren

Zowel Piaget als Vygotsky hebben theorieën ontwikkeld rondom spel, die suggereren dat spelen een middel is om sociale regels en zelfbeheersing te leren. Piaget stelde dat spelen met leeftijdgenoten zonder supervisie van volwassenen cruciaal is voor de morele ontwikkeling van een kind. Ann Kruger heeft in het verlengde hiervan ontdekt dat kinderen meer ontwikkeling in moreel redeneren tonen als ze sociale dilemma's met leeftijdgenoten bespreken, dan als ze dezelfde dilemma's met hun ouders delen. Met leeftijdgenoten zijn ze veel actiever betrokken en bedachtzaam en met hun ouders passiever en minder bedachtzaam.

Vygotsky stelde dat kinderen hun impulsen leren controleren en zich te houden aan sociaal afgesproken regels en rollen te houden. Hij gaf aan dat, in tegenstelling tot wat mensen denken, spelen niet vrij en spontaan is, maar regels kent die bepalen wat wel en niet toelaatbaar is voor iedere deelnemer. Tijdens het spelen moeten kinderen zich dus conformeren aan de regels van het spel, die zij onderling hebben afgesproken. Vygotsky geeft daarbij aan dat spel paradoxaal is: aan de ene kant doen kinderen vrijwillig mee, maar tegelijkertijd geven ze een stukje van hun vrijheid op. Kinderen die de regels breken worden hier direct op gewezen door de andere kinderen.

In lijn hiermee hebben onderzoekers een positieve correlatie gevonden tussen de hoeveelheid sociale fantasiespellen kinderen spelen en hun sociale competentie en zelfbeheersing.

De bijzondere waarde van gemengde leeftijd bij spel

Relatief weinig onderzoek is hiernaar gedaan, maar wat wel duidelijk is, is dat het kwalitatief anders is. Het is minder competititef (een ouder kind heeft niets te bewijzen en een jonger kind gaat het nooit winnen). Oudere kinderen zijn meestal voorzichtig met het jongere kind (een soort impliciete regel of sociaal contract). Oudere kinderen leren zorgen voor jongere kinderen en jongere kinderen kunnen hun vaardigheden optrekken aan die van oudere kinderen. Gray (een van de auteurs) heeft hier zelf onderzoek naar gedaan op een age-mixed school in de VS. Ook onderzoeken naar kinderen met oudere broers of zussen gaven vergelijkbare resultaten.

Genderverschillen

Het leven is anders voor meisjes dan voor jongens. Een deel hiervan is biologisch en hormonaal van oorsprong, maar antropoloog Margaret Mead gaf ook aan dat dit verschilt per cultuur en tijdgeest op een manier die niet verklaard kan worden door biologische factoren op zichzelf.

Zelfs als baby gedragen jongens en meisjes zich (gemiddeld genomen) iets anders. Jongens zijn wat sneller geïrriteerd en minder responsief richting de verzorgers dan meisjes. Rond 6 maanden woelen jongens meer en kijken vaker boos wanneer ze in een kinderstoeltje gezet worden. Meisjes kijken vaker geïnteresseerd en zijn vaak wat minder moeilijk dan jongens. Rond 13-15 maanden geven meisjes vaker gehoor aan de instructies van de moeder en rond de 17 maanden tonen jongens significant meer agressie dan meisjes.

Veel voorkomende verschillen tussen mannen/vrouwen (gemiddeld genomen):

  • Fysieke en mentale gezondheid
    • Vrouwen hebben lagere sterftecijfers (leven langer)
    • Mannen externaliseren problemen, vrouwen internaliseren problemen
    • Meisjes passen zich beter aan op school dan jongens
    • Jongens zijn fysiek agressiever dan meisjes
  • Fysieke ontwikkeling
    • Jongens zijn actiever dan meisjes
    • Meisjes hebben een betere fijne motoriek, jongens zijn sterker
    • Meisjes ontwikkelen zich neurologisch eerder dan jongens
  • Cognitieve ontwikkeling
    • Jongens kunnen beter ruimtelijk denken
    • Meisjes krijgen hogere cijfers voor wiskunde, jongens doen het beter op gestandaardiseerde wiskundetests
    • Meisjes ontwikkelen hun taal sneller, zijn beter in lezen en verbaal vloeiender
    • Jongens hebben vaker taal- en leesproblemen dan meisjes
  • Sociaal-emotionele ontwikkeling
    • Vrouwen zijn socialer geörienteerd en emotioneel expressiever dan mannen
    • Jongens vertonen meer risicovol gedrag dan meisjes
    • Jongens zijn meer geïnteresseerd in mechanische objecten dan meisjes
    • Meisjes zijn meer geïnteresseerd in mensen en onderlinge relaties dan jongens
    • Jongens spelen ruwer (stoeien) en zijn geïnteresseerd in dominantie
    • Meisjes zijn meewerkender en behulpzamer dan jongens

Ouders gedragen zich vanaf de geboorte anders tegenover jongens dan meisjes. In een onderzoek waarbij een baby de ene keer was aangekleed als een meisje en de andere keer als een jongentje, praatten de proefpersonen vaker tegen de meisjesvariant, maar keken de jongensvariant vaker stilzwijgend aan. Ander onderzoek gaf aan dat studenten sneller te hulp schieten als een huilend kind waarschijnlijk een meisje is, dan als het een jongentje is. Nog een studie gaf aan dat moeders sneller hun tweejarig kind hielpen bij probleemoplossingstaken als het een meisje is dan als het een jongentje is. Op basis hiervan wordt gespeculeerd dat de warmere omgang met meisjes en de hogere verwachtingen van zelfredzaamheid bij jongens, mogelijk een van de redenen is voor de gedragsverschillen tussen jongens en meisjes.

Ouders en docenten zeggen vaak dat wiskunde en wetenschap moeilijker en minder interessant zijn voor meisjes, waardoor de gespreksvoering voor de twee geslachten anders is. Onderzoek wijst daarentegen uit dat de bekwaamheid en (zelfgerapporteerde) interesse bij de kinderen grofweg gelijk is.

Mechanische zaken worden sneller uitgelegd aan jongens dan aan meisjes, ongeacht de leeftijd. De onderzoekers vonden echter geen bewijs dat meisjes minder geïnteresseerd zouden zijn.

Genderidentiteit en het effect hiervan op het gedrag van kinderen

Vanaf een jaar of 5 hebben kinderen een goed beeld van het stereotype man of vrouw en neigen zich hier ook daar te gedragen. Ze kijken naar volwassenen van hun eigen geslacht en nemen die als rolmodellen aan. Jonge kinderen creëren en overgeneraliseren genderverschillen vaak.

Voorbeeld van overgeneralisatie: als jonge kinderen horen dat een jongen een bepaalde bank mooi vindt en een meisje een bepaalde tafel, hebben de kinderen de neiging om banken als jongensachtig te zien en tafels als meisjesachtig.

Segregatie op basis van gender door kinderen zelf

Als kinderen zelf iets organiseren, is het waarschijnlijker dat ze segregeren dan wanneer volwassenen iets organiseren. De piek van gendersegregatie door kinderen is tussen 8 en 11 jaar oud. In sommige settings wordt dit aangedikt door iemand te plagen die wél met het andere geslacht speelt. Dit gebeurt echter vaker als jongens met meisjes spelen, dan andersom.

Genderverschillen in speelstijlen

Sommige sociale wetenschappers beschouwen groepen jongens en meisjes als zo verschillend dat ze aparte subculturen zijn.

  • De world of boys is een relatief grote, hiërarchische groep waarin individuen (of coalities) hun superioriteit proberen aan te tonen
  • De world of girls bestaat uit relatief kleine, intieme groepen, waarin samenwerking centraler staat en competitie wat subtieler aangepakt wordt (bijvoorbeeld touwtje springen)

Dit two-worlds concept overdrijft wellicht de typische verschillen. Onderzoek vond vooral plaats opo scholen en kampen, terwijl de kinderen vaak thuis wel in gemengde groepen speelden. Aangetoond is dat de competitie in gemengde groepen lager is. Meerdere andere onderzoeken hebben aangetoond dat jongens en meisjes vaker in gemengde groepen spelen dan in aparte groepen.

Het is in ieder geval wel duidelijk dat jongens en meisjes, of ze nu wel of niet met elkaar spelen, zeker in elkaar geïnteresseerd zijn. Uiteraard neemt deze interesse toe in de adolescentie.

Adolescentie: uit de cocon komen

Adolescentie is de transitie van kind naar volwassene. Het begint met de puberteit en eindigd als zij zichzelf als volwassen zien en als volwaardig lid van de volwassen gemeenschap (en de omgeving het daar mee eens is). Ontwikkelingspsychologen spreken op de weg hiernaartoe van emerging adulthood. Dit is ongeveer van 18 jaar tot 25. In ontwikkelde landen duurt het vaak langer voordat jonge mensen hun eigen leven opbouwen (huis, trouwen, kinderen) dan hun ouders en grootouders. Ze blijven ook langer bij hun ouders wonen.

Volgens Erikson is adolescentie het stadium van de identiteitscrisis. Het doel is om de kinderlijke identiteit achter je te laten en te bepalen wie je echt bent, zoals een gevoel van zingeving (purpose), een carrière en persoonlijke waarden. Veel ontwikkelingspsychologen zijn het oneens met Erikson's definitie van identiteit en het concept van een identiteitscrisis in adolescentie.

Van ouders naar leeftijdgenoten voor intimiteit en sturing

Een belangrijk onderdeel van volwassen worden is onafhankelijkheid. Dit gaat meestal gepaard met het losbreken van het ouderlijk gezag en het meer opzoeken van leeftijdgenoten. Dit proces wordt gekenmerkt door het losbreken van de oudelijke controle. Onderzoek wijst uit dat pubers over het algemeen hun ouders wel "hoog hebben zitten" en er bijna nooit sprake is van afkeuring (rejection). Deze rebelse fase is meestal het heftigst aan het begin van de puberteit. Meestal hebben pubers rond hun 16e levensjaar wel redelijk hun balans gevonden en worden de conflicten ook minder.

Conformatie aan leeftijdgenoten

  • De neiging tot conformeren is het sterkst tussen 10 en 14 jaar
  • Vriendengroepen hebben de neiging na verloop van tijd meer op elkaar te lijken
    • Deels omdat kinderen met soortgelijke interesse elkaar opzoeken
    • Deels omdat ze conformeren aan elkaar (ook in gedrag)

Roekeloosheid

  • Roekeloosheid is het grootste in de leeftijd van 16 tot en met 25
    • Hoe eerder in deze range, hoe hoger het aantal dodelijke verkeersongelukken
    • Het aantal arrestaties is het hoogst rond 20-24 jaar voor mannen
    • Vrouwen kennen een soortgelijke situatie, maar daarbij is het vele malen minder uitgesproken
  • Pubers zijn onder invloed van de myth of invulnerability, ofwel het gevoel dat hen niet gebeurt wat een ander gebeurt (ongelukken, ziekte, etc.)
  • Alternatieve verklaringen
    • Sensation seekers: kicken op de andrenaline die vrij komt bij roekeloos gedrag
    • Verhoogde irritatie en agressie
    • Onvolledig ontwikkelde inhibitory control centers

Voor al deze verklaringen is bewijs gevonden. De vraag is: waarom heeft natuurlijke selectie geen korte metten gemaakt met dit gedrag, als het ervoor zorgt dat hun kans op overlijden groter is?

Twee theorieën waarom adolescenten zich roekeloos gedragen bij het losbreken van ouderlijk gezag

  • Terrie Moffitt
    • Pathologische bijwerking van het nog niet geaccepteerd worden als volwassen lid van de samenleving. Bewijsmateriaal hiervoor is dat dezelfde problemen minder voorkomen in culturen waar adolescenten sneller geïntegreerd raken in het "volwassen leven". Seks, drugs en criminaliteit zijn "volwassen" zaken, waardoor deze dingen extra aanlokkelijk zijn voor adolescenten. Deze theorie verklaart alleen niet waarom beslist onvolwassen risicovol gedrag zo veel voorkomt.
  • Judith Harris
    • Stelt juist dat adolescenten zich afzetten tegen de volwassen cultuur en meer bezig zijn met hun leeftijdgenoten, die de volgende generatie volwassenen gaan zijn. Ze zijn dus juist niet bezig met de volwassen status bereiken, maar juist met het aandikken van hun eigen subcultuur.

Voor beide theorieën valt wat te zeggen en misschien gebeurt het allebei tegelijk: zowel de volwassen status proberen te bereiken, maar zich ondertussen vooral identificeren met hun eigen subcultuur.

Neurologische basis voor roekeloosheid

Roekeloosheid in adolescenten komt door conflict tussen twee ontwikkelende hersengebieden:

  • Cognitive-control network
    • Planning en reguleren van gedrag, bevindt zich voornamelijk in de frontaalkwab
  • Socio-emotional network
    • Bevindt zich voornamelijk in het limbische systeem

Veelal weten adolescenten wel degelijk dat hun gedrag bijvoorbeeld gevaarlijk is (cognitive control), maar door de sociale situatie met leeftijdsgenoten zullen ze het gedrag alsnog vaak doorzetten (socio-emotional).

Onderzoek (Gardner & Steinberg, 2004) met een autorijdsimulator wijst uit dat adolescenten (13-16 jaar) even goed zijn in het voorkomen van ongelukken als volwassenen (gem. 37 jaar). Gecombineerd met hun vrienden, maakten adolescenten echter veel meer ongelukken dan volwassenen met vrienden. Hersenscans toonden activatie in het reward center van de adolescenten wanneer vrienden mee keken, bij de volwassenen was dit niet het geval. Het aantal ongelukken van de simulator kwamen overeen met de statistieken in de echte wereld.

Evolutionaire verklaring van het "young-male syndrome"

Omdat dit soort verschillen met name voorkomen bij mannen, en zelfs (in mindere mate) in culturen waar adolescenten sneller opgenomen worden onder de volwassenen. Margo Wilson en Martin Daly noemen dit het "young-male syndrome" en richten zich op de potentiële waarde voor de voortplanting.

Vrouwen zijn sneller seksueel aangetrokken tot mannen die zich begeven in riskante, avontuurlijke situaties. In hunter-gatherer culturen is het een pre om risico's te nemen voor het verkrijgen van voedsel of beschermen van de familie. Moderne uitingen hiervan zijn nog steeds demonstraties van onbevreesdheid en moed. Een andere aanwijzing is dat de meeste voorvallen van geweld, meestal het resultaat zijn van de aantasting van status: respectloosheid of het ondermijnen van de status van een andere man.

Vrouwen laten ook meer gewelddadigheid zien tijdens adolescentie, maar ook hierbij ligt er mogelijk een evolutionair voordeel aan ten grondslag. In de meeste gevallen gaat dit om roddels of het beschuldigen van bepaalde seksuele activiteiten, wat de status ten opzichte van mannen kan aantasten. Een andere situatie is wanneer de partner "afgepakt" dreigt te worden.

Morele visie en moreel zelfbeeld

Adolescentie is een periode waarin het moreel redeneren snel groeit en ook een moreel zelfbeeld ontstaat. De meeste theorieën zijn gebaseerd op de theorie van Lawrence Kohlberg. Hij stelde morele vragen en vroeg vervolgens het antwoord te onderbouwen. Hij was geïnteresseerd in de onderbouwing en niet zozeer in het antwoord zelf. Hij stelde dat moraliteit zich ontwikkelt in verschillende stadia.

Voorbeeld: een man steelt een medicijn om zijn vrouw te redden. Er is onderscheid in de volgende fasen:

  1. Oriëntatie op gehoorzaamheid en straf
    • Gericht op directe gevolgen voor zichzelf.
    • "Als hij zijn vrouw laat sterven komt hij in de problemen."
    • Gericht op jezelf
  2. Uitwisselingen uit eigenbelang
    • Verschillende mensen hebben verschillende eigenbelangen.
    • "Het maakt hem niet uit, want als hij uit de gevangenis komt, heeft hij zijn vrouw nog."
    • Gericht op jezelf en anderen die direct betrokken zijn
  3. Interpersoonlijk akkoord en conformiteit
    1. Voldoen aan verwachtingen van anderen die belangrijk zijn voor de betreffende persoon. Een handeling is goed als de relaties verbeteren, slecht als de relaties verslechteren.
    2. "Zijn familie zal hem zien als een onmenselijke echtgenoot, als hij zijn vrouw niet redt."
    3. Gericht op anderen die de actie horen en evalueren
  4. Orde-moraal
    • Het volgen van de (ongeschreven) regels van de sociale maatschappij.
    • "Het is de plicht van een man om zijn vrouw te redden, dit heeft hij beloofd toen ze trouwden."
    • Gericht op de samenleving in het algemeen
  5. Moraliteit van mensenrechten en sociaal welzijn
    • Wetten kunnen in individuele situaties conflicteren met ethische principes. Als een wet het welzijn niet bevordert of ethische principes schendt, mag deze anders worden geïnterpreteerd, gewijzigd of zelfs worden geschonden.
    • "De wet is hier niet voor bedoeld. Een leven redden is belangrijker dan deze wet."
    • Gericht op universele principes die de hele wereld aangaan

Iedere opvolgende fase is een bredere verklaring in sociale context. Het model van Kohlberg gaat over het moreel redeneren en niet over morele actie. Je kunt ongelooflijk goed moreel kunnen redeneren, maar je nog steeds niet moreel gedragen. Onderzoek wijst overigens wel uit dat beter moreel kunnen rederenen wel een indicator is voor moreel gedrag.

Seksuele exploratie

Als jongens en meisjes uit hun eigen groepen komen en in contact komen met elkaar, betekent dit meestal dat jongens wat minder assertief moeten worden (en wat meer rekening met anderen te houden) en meisjes juist wat assertiever. Onderzoek wijst uit dat communicatie tussen twee adolescenten in een relatie vaak faalt en moeizamer verloopt, maar dat dezelfde tieners wel aangeven dat dit hun "closest relationship" is en grootste bron van emotionele ondersteuning. Hoe goed deze emotionele imtimiteit zich ontwikkelt is een indicator voor het latere huwelijkse succes (Karney et al., 2007).

De eerste seksuele gevoelens ontstaan normaliter rond de leeftijd van 10-12 jaar. De eerste seksuele fantasieën volgen hier kort na en ook hier start de masturbatie. Vanaf 14 jaar tot 19 jaar is er een stijgende lijn in het aantal tieners dat seks heeft gehad, met 10% rond 14 jaar en 70% rond 19 jaar oud. Er is geen significant verschil tussen mannen en vrouwen.

Seksuele minderheden

De ontdekking van homoseksuele gevoelens vindt meestal al plaats tussen 8 en 10 jaar oud, al voordat er echt seksuele gevoelens bij komen kijken. Het gebeurt echter ook vaak dat dit pas bij de adolescentie of na heteroseksuele relaties en zelfs pas na het hebben van kinderen ontdekt wordt. De leeftijd waarop mensen zich meestal identificeren als een seksuele minderheid is 15 jaar oud. Meisjes identificeren zich meestal al als lesbisch of biseksueel voordat ze seks met een vrouw hebben gehad, terwijl mannen dit vaak pas doen nadat ze seks met een andere man hebben gehad. Uit de kast komen gebeurt meestal pas tussen 17 en 19 jaar oud. Dit kan grote sociale gevolgen hebben (ouderlijke teleurstelling, verliezen van vrienden, etc.) maar wanneer de directe omgeving ondersteunend is, geeft dit een goede psychologische adaptatie (ondanks stigmatisering in sommige gemeenschappen).

SOA's en zwangerschap

Het aantal SOA's is het grootst onder 15 tot 24 jaar oude mensen. Zij zijn verantwoordelijk voor de helft van de SOA-meldingen in de VS. Ook in de VS, raakt ongeveer 7% van de vrouwen van 15 tot 19 zwanger. Een kwart hiervan pleegt abortus en het overgrote deel van de rest bevalt uiteindelijk. In Nederland, Duitsland en Frankrijk zijn zwangerschappen in de tienerjaren veel zeldzamer (ongeveer 1,5%).

Van invloed hierop is de dubbele standaard met betrekking tot seksuele activiteit. Jongens geven vaker aan om seks puur voor plezier te hebben en meisjes geven vaker aan dat ze alleen seks willen met iemand waarmee ze ook van plan zijn te trouwen. Meer vrouwen dan mannen geven aan dat hun eerste seksuele ervaring te vroeg was.

Evolurionaire verklaring voor verschillen in seksuele gretigheid

Seksuele gretigheid heeft veel te maken met de theorie van parental investment (Robert Trivers), vrouwen leveren een grotere investering (zwanger zijn, bevallen) en zijn dus terughoudender. Mannen hebben (evolutionair gezien) meer te winnen en minder te verliezen. De man plant zich immers voort en stuurt zijn genen de wereld in, terwijl de vrouw de investering van het opvoeden doet.

Opvoeding als factor in seksualiteit bij tieners

De opvoeding, zowel direct als cultureel, zijn van invloed op seksualiteit. Sommige onderzoekers stellen dat natuurlijke selectie ervoor heeft gezorgd dat mensen in de kinderjaren al letten op aanwijzigingen voor welke seksuele strategie het beste past. Een voorbeeld is het wel of niet aanwezig zijn van een vader. De aanwezigheid van een vader zorgt bij meisjes voor de aanname dat mannen betrouwbaar zijn en bij jongens voor de aanname dat zij zelf die rollen zullen gaan aannemen. Dit zorgt voor beide seksen voor seksuele terughoudendheid en het zoeken naar langetermijnrelaties.

Onderzoek van Draper & Harpending geeft aan dat kinderen van alleenstaande moeders meer seksuele partners hebben. Daarnaast zijn ze flirteriger en hebben ze de neiging om vroeger zwanger te worden dan anderen uit een "compleet gezin". Ook is aangetoond dat meisjes die opgroeien bij een alleenstaande moeder, sneller in de puberteit belanden.

Deze theorie is controversieel, maar er komt steeds meer ondersteunend bewijs voor.

Volwassenheid: bevrediging vinden in liefde en werk

Liefde

  • Alle culturen hebben een vorm van het huwelijk (langetermijnrelaties)
  • Alle culturen beschouwen de combinatie van huwelijk + liefde als ideaal
  • Een gevoel van exclusiviteit (dat de ander niet vervangen kan worden) voert de boventoon
  • Partners voelen zich het veiligst en meest zelfverzekerd met hun partner en tonen fysiologisch bewijs van stress als ze uit elkaar zijn
  • De band tussen partners is vaak het duidelijkst wanneer ze uit elkaar gaan of een van de twee overlijdt. Dit gaat meestal gepaard met angst, depressie en eenzaamheid die niet worden verlicht door emotionele ondersteuning van vrienden of een actief sociaal leven.
  • Zoals bij de gehechtheid van kleine kinderen (baby's, peuters) wordt gehechtheid geklassificeerd als:
    • Secure (veilig, comfortabel)
    • Anxious (angstig, angst over de liefde van hun partner of het gebrek hieraan)
    • Avoidant (vermijding, weinig expressie van intimiteit of nonchalance over verbintenis)
  • Onderzoeken wijzen uit dat de gehechtheid vergelijkbaar is met hun herinneringen als kind
    • Dit kan twee dingen betekenen: achteraf "inkleuren" van herinneringen, of juist als ondersteuning voor het concept dat de eerste liefdevolle herinneringen als basis dienen voor het latere leven

Waarom werken sommige huwelijken en anderen niet? In het algemeen geldt voor succesvolle huwelijken:

  • In goede huwelijken geven mensen aan dat ze niet alleen man en vrouw zijn, maar ook beste vrienden
  • Ze gebruiken vaker we en waarderen hun onderlinge afhankelijkheid meer dan hun onafhankelijkheid
  • Ze tonen hoge commitment en gaan graag "more than halfway" om hun relatie door moeilijke tijden te loodsen
  • Ze maken even vaak ruzie als ongelukkige stellen, maar zijn constructiever
  • Ze luisteren naar elkaar en lossen het probleem op in plaats van te "winnen"
  • Zijn respectvol over elkaars mening en halen geen oude koeien uit de sloot

Onsuccesvolle huwelijken zijn situaties waarin dit niet het geval is. In veel gevallen is er geen symmetrie en houdt de vrouw meer rekening met de man dan andersom. Dit is de reden dat in de meeste slechte huwelijken, de vrouw zich vaak ongelukkiger voelt.

John Gottman beweert met 94% nauwkeurigheid te kunnen voorspellen of koppels uit elkaar gaan in de komende 4 jaar, gebaseerd op een interview. Hij kijkt hierbij naar 5 componenten:

  • Fondness and admiration
  • "We-ness" versus "me-ness"
  • Love maps (degree in positivity when describing the relationship)
  • Purpose and meaning instead of chaos
  • Satisfaction instead of dissapointment

Howard Markman heeft met zijn collega's meerdere risicofactoren in kaart gebracht, zoals geldproblemen of het hebben van gescheiden ouders. Daarnaast: defensieve persoonlijkheid, verschillende religieuze achtergrond, jong trouwen, snel trouwe en onrealistische verwachtingen van het huwelijk. Paradoxaal genoeg is de kans op scheiden groter als men al samenwoont voor het huwelijk, dan als het samenwonen pas na het trouwen gebeurt.

Daar tegenover zijn er vier relatiepatronen die veranderd kunnen worden, die de kans op slagen vergroten:

  • Een positieve manier van praten hanteren in het algemeen en bij ruzies (niet op de man spelen, niet schreeuwen of elkaar uitschelden)
  • Proberen goed te communiceren als je het met elkaar oneens bent (niet mokken of elkaar negeren)
  • Meningsverschillen als een team proberen op te lossen (elkaars sterke punten gebruiken om conflicten op te lossen)
  • Eerlijk zijn tegen jezelf en je partner: zet je je 100% in voor de relatie?

Werk

Werk is naast een manier om te kunnen overleven, een groot deel van onze tijdbesteding. Werk is voor volwassenen wat spelen is voor kinderen: een plek waar sociaal contact plaatsvindt, problemen moeten worden opgelost en fysieke en mentale vaardigheden zich verder ontwikkelen.

Mensen geven aan hun werk leuk te vinden als het:

  • Complex is in plaats van simpel
  • Gevarieerd in plaats van geroutineerd
  • Niet onder directe supervisie van iemand anders

Socioloog Melvin Kohn noemt deze factoren bij elkaar de occupational self-direction. Self-direction is een belangrijk onderdeel van het werk van zelfstandig ondernemers, banen in kleine bedrijven, maar ook banen in het hoger management in grotere organisaties. Onderzoek wijst uit dat deze banen veelal voor minder stress zorgen - gemeten als effect op de mentale en fysieke gezondheid. Dit soort banen zorgt ook voor positieve persoonlijkheidsveranderingen.

Een interessant onderzoek uitgevoerd in de VS en Polen door Kohn en Slomczynski, wijst uit dat mensen die van een baan met lage self-direction naar een baan met hoge self-direction gaan, verschillende veranderingen doormaken. Ze werden intellectueel flexibeler en begonnen self-direction meer te waarderen dan voorheen. Daarnaast werden ze minder autoritair en democratischer in hun beslissingsproces. Dit werkte ook door in de manier waarop kinderen opgevoed werden: meer richting autoritative (high warmth, high control) dan autoritarian (low warmth, high control).

De theorie die hieruit voortvloeit is dat mensen met een baan waarin ze direct verantwoording afleggen, ook hun kinderen op die manier opvoeden: autoriteit volgen en niet teveel vragen stellen over hoe en waarom. Contrasterend hiermee, zullen ouders die zelf een hoge self-direction in hun baan hebben, ook hun kinderen meer opvoeden als zelfstandige denkers die niet zomaar een autoriteit volgen.

Vrouwen vervullen meestal meer rollen in het huishouden dan mannen, al wordt dit verschil veel kleiner wanneer onderhoud en reparatie in huis wordt meegeteld. Vrouwen voelen gemiddeld meer conflicten tussen de eisen van hun werk en het huishouden. Er zijn echter aanwijzigingen dan mannen het thuis meer naar hun zin hebben dan vrouwen, zelfs als ze bijvoorbeeld de was aan het doen zijn. Vrouwen hebben het daarentegen meer naar hun zin op het werk. Zelfs als het aantal uren dat de man en de vrouw uit huis werken, even groot is.

Een verklaring hiervoor is dat mannen dit niet per se voelen als hun verantwoordelijkheid om het huishouden te doen, terwijl vrouwen ergens voelen dat het verdienen van het familie-inkomen niet echt hun verantwoordelijkheid is. Volgens Larson volgt dit een traditioneel stereotype: "men 'slave' at work and come home to relax, and women 'slave' at home and go out to relax'. De manier waarop het ervaren wordt, is dus afhankelijk van het gevoel van verplichting of keuze.

Ouder worden

  • Socioemotional satisfaction: als mensen ouder worden, vinden ze het steeds belangrijker om te genieten van het nu dan om zich bezig te houden met de toekomst
  • Socioemotional selectivity theory
    • Jonge mensen zijn vooral bezig met de toekomst. Oudere mensen meer met het nu. Als je ouder wordt, is het steeds minder zinvol om je tijd te investeren in zaken die zich pas later gaan uitbetalen.
  • Mensen die tot latere leeftijd werken, geven vaak aan hun werk leuker te vinden dan toen ze jonger waren. Ze zijn minder geïnteresseerd in het beklimmen van de ladder en meer geïnteresseerd in de prettige sociale contacten en het werk zelf.
  • Hoe ouder, hoe meer mensen hun sociale kring beperken tot mensen die er echt toe doen (naaste familie en goede vrienden). Dit zie je overigens ook terug bij mensen waarvan de levensverwachting korter is (door bijvoorbeeld AIDS of andere terminale ziekten)

Oudere mensen hebben meer aandacht voor positieve stimuli dan negatieve stimuli en ook het geheugen lijkt beter te zijn voor positieve herinneringen. Een experiment uitgevoerd door Mather & Carstensen met foto's van positieve, neutrale en negatieve scenes, heeft dit beeld verder bevestigd. In het kort heet dit de positivity bias.

Richting de dood

Elisabeth Kübler-Ross heeft voorgesteld dat mensen door 5 stadia gaan als ze horen dat ze binnenkort dood gaan:

  1. Denial - Dit kan niet kloppen!
  2. Anger - Waarom ik?
  3. Bargaining - Als ik dit en dat doe, leef ik dan langer?
  4. Depressie - Het heeft geen zin.
  5. Acceptatie - Het is goed zo.

Hoewel dit een handig model is, hoeft het niet per so zo te lopen. In sommige gevallen worden hele stadia overgeslagen, of gebeurt het in een andere volgorde. Ieder persoon is anders en gaat er dus ook anders mee om.

 



Reacties

Er zijn nog geen reacties.
 Meld je aan met LinkedIn om te reageren